Donderdag 9 april: een nachtshift in het leven van spoedarts Kevin Vereecken

10
Kevin Vereecken

‘Wij hoeven geen applaus maar wel concrete ondersteuning. Geen ministers die zich vastrijden in details. Wel maskers en schorten en handschoenen en medicijnen.’ Kevin Vereecken is spoedarts anesthesist-urgentiearts in het Stuivenbergziekenhuis en gemeenteraadslid in Antwerpen.

Anderhalf uur nadat mijn buren op hun balkon stonden te applaudisseren, sta ik mijn beschermende kledij aan te trekken over mijn interventiepak heen. Een spatscherm, een masker en een afwasbare overschort. Het spatscherm beschermt mijn ogen maar knelt rond mijn hoofd en ik weet nu al dat het over een paar uur pijn gaat beginnen doen.

Het FFP2-masker ruikt naar het stof dat het geacht wordt tegen te houden en maakt het nu al moeilijker om te ademen. De afwasbare overschort doet de temperatuur op slag oplopen tot een oncomfortabel tropische waarde. Die schorten zijn gemaakt van plastic tentzeil, op advies van Artsen Zonder Grenzen. Ik denk onwillekeurig aan de ziekenhuizen in West-Afrika waar de artsen en verplegers met dit soort kledij de ebola-epidemie te lijf gingen. Eigenlijk hebben wij nog niet te klagen.

‘Als hij sterft, zal hij zijn advocaat op mij afsturen’

De eerste patiënt van de avond is een jonge man die zich wil laten testen op Covid-19. Hij heeft geen koorts, hoest niet opvallend en heeft normale parameters. Hij heeft de huisarts niet gebeld, want die is met vakantie. Vreemd. Bij mijn weten is geen enkele huisarts met vakantie, maar ik heb geen zin in een discussie en voltooi het klinisch onderzoek. Met mijn geruststelling is hij niet tevreden, hij wil een test. Daarvoor komt hij niet in aanmerking maar dat aanvaardt hij niet. Als hij sterft aan covid-19 zal hij zijn advocaat op mij afsturen. Niet al onze patiënten zijn even slim.

Mijn volgende patiënte is een 80-jarige Berberse vrouw. Ze kijkt me met grote ogen aan en ik zie mijn spiegelbeeld in de reflectie van een raam. Geen wonder dat ze schrik heeft. Ik lijk regelrecht weggelopen uit een film over Tsjernobyl. Ze spreekt geen Nederlands, enkel Berbers. Ik probeer haar met gebaren duidelijk te maken dat ze mee mag komen naar de onderzoekskamer. Dat gaat vlot.

‘Ze staat er alleen voor. En ik ook’

De volgende horde ligt iets moeilijker: proberen te achterhalen waarom ze op de spoed zit. Zonder beschermingsmiddelen is het al moeilijk, met heel die garderobe aan is het vrijwel onmogelijk om te communiceren met mensen die een exotische taal spreken. De dame weent. Ze wijst constant naar de deur en ik heb geen flauw idee wat ze bedoelt. Haar leven speelt zich af in een parallel universum waar iedereen Berbers spreekt. De zeldzame keren dat ze uit die bubbel treedt, zijn haar zoons er om voor haar te tolken. Maar nu niet. De coronaregels zijn streng: geen bezoek. Ze staat er alleen voor. En ik ook. Het is intussen half een ’s nachts en medische tolken vinden, ligt op dit uur niet voor de hand.

Het labo belt. Een collega die ’s namiddags getest werd, blijkt positief op Covid-19. De assistent klinische biologie klinkt opgelucht. Hij mag eindelijk naar huis na alweer een lange dag coronatesten draaien. Ik vertel hem dat het om een collega gaat en de opluchting verdwijnt snel.

‘Ik moet ‘het’ echt met zekerheid al hebben opgelopen’

Ik maak mezelf wijs dat ik al lang Covid-19 heb gehad zonder het te weten. Wellicht van toen met die Covid-19-reanimatie waarbij ik mijn spatbril moest afzetten om te kunnen intuberen. Of van toen die keer met die positieve patiënt die plots begon te braken in de ambulance en zijn masker moest afzetten. Waarna hij natuurlijk begon te hoesten. Ik kan zo wel een aantal keren bedenken dat ik het echt met zekerheid moet hebben opgelopen. Dat bespaart me de stress van de angst om ‘het’ ook te krijgen.

De Berberse dame zit nog steeds angstig naar mij te kijken. Ik probeer haar met gebaren duidelijk te maken dat ik een echografie van haar longen wil maken. Er zitten minstens zes lagen kledij in de weg. Ze zal toch moeten wachten.

De assistent belt van de ‘propere’ kant van de spoed: een patiënt met een beroerte doet het echt niet goed en moet dringend aan de beademing. Ik spurt naar de ‘uit’-zone, waar ik de beschermingsmiddelen volgens de procedure probeer uit te doen. Dat gaat moeilijk als je gehaast bent. Ik loop verder naar de shockroom waar de situatie erg spannend blijkt te zijn. In de Covid-19-zone komen er enkele patiënten bij, maar die moeten nu even wachten. Het duurt een half uurtje voor de assistent met de patiënt alleen verder kan. Ik haast me naar het toilet – nu ik even geen Tsjernobylpak aan heb, kan ik – en dan meteen terug naar de ‘in’-zone.

‘Ik probeer de man gerust te stellen maar lees de angst in zijn ogen’

De Berberse dame is er niet op vooruit gegaan. Haar saturatie is gedaald en ze ademt opvallend sneller dan daarstraks. Dat is een van de vele handtekeningen van Covid-19. Mensen kunnen ongelofelijk snel achteruit gaan.

Het PIT (het paramedisch interventieteam, red.) heeft echter intussen een patiënt binnengebracht die er echt niet goed aan toe is. Hij komt nauwelijks nog aan zuurstof en ziet er doodsbang uit. De echografie van de longen is niet goed en doet me vermoeden dat deze man een coronaslachtoffer is. De bloedwaarden zullen dat waarschijnlijk bevestigen. Ik probeer de man gerust te stellen maar ik lees de angst in zijn ogen. We drijven de zuurstof op in de hoop zijn saturatiewaarden te verbeteren. Het lijkt te werken, maar deze man kan maar beter niet verder achteruit gaan.

‘Nauwelijks hoorbaar in onze ruimtepakken fluistert ze ‘dankuwel’’

Ik heb nog altijd geen echografie gemaakt van de longen van de Berberse dame. Ze heeft nog geen kleding verwijderd. Gelukkig maar, want ik mag dan wel ongeveer gestoomd zijn, buiten mijn pak heerst geen temperatuur om uren in ontbloot bovenlijf te zitten. De verpleegkundige komt mij helpen om haar kleding uit te trekken en nu loopt het vlotjes. De verpleger blijft me helpen om de echografie te doen en de dame terug wat kledingstukken aan te trekken. Nauwelijks hoorbaar in onze ruimtepakken fluistert ze ‘dankuwel.

Intussen zijn er nog drie patiënten binnengekomen met lichte symptomen die misschien wel, misschien niet aan Covid-19 te wijten zijn. Het klinisch onderzoek met de echografie van de longen stelt me over twee van hen volledig gerust. Maar een derde patiënt heeft een verrassend slechte echo. Terwijl ik snel twee voorschriftjes voor paracetamol maak, neemt de verpleger bloed bij de derde patiënt.

De man met de slechte saturatie vertrekt intussen naar de verpleegafdeling met behoorlijk wat zuurstof. Ik haast me om zijn dossiertje af te werken en de zaalarts te briefen. Een mug-oproep doorkruist dat plan. In zeven haasten rep ik me opnieuw door de ‘uit’-zone. Mijn groene operatiehemdje is drijfnat van het zweet. Ik heb alvast medelijden met mijn volgende patiënt: tijd voor deodorant is er niet.

‘De vragen vliegen me om de oren over de afwezigheid van Maggie De Block’

Na de mug-rit is het rustig op de spoed. De assistent heeft de Berberse dame niet kunnen overtuigen om te blijven. Ze is met haar zoon naar huis gegaan. Geen idee of ze haar isolatie-instructies heeft begrepen, maar op basis van het labo lijkt het toch eerder om een gewone longontsteking te gaan. Ook geen klein probleem voor een tachtigjarige. Hopelijk neemt ze haar antibiotica correct in, dan heeft ze een goede kans.

De andere patiënt ligt al op de verpleegeenheid. Tijd om te eten en te drinken. De vragen vliegen me om de oren over de afwezigheid van Maggie De Block. Over de maskers, de schorten, het dreigend tekort aan medicatie. Over de politieke spelletjes die gespeeld worden.

‘Wij zijn geen helden, wij doen gewoon onze job’

Het is zes uur ’s ochtends en ik begrijp de frustratie en ik deel ze. Ik denk terug aan het applaus van mijn buren en ik geneer me. Wij zijn geen helden, wij doen gewoon onze job. Wij hoeven geen applaus maar echte concrete ondersteuning. Geen ministers die zich vastrijden in details als hoeveel kilometer je precies van je huis mag weg fietsen en vanaf welke leeftijd je op een bankje mag rusten, wel maskers en schorten en handschoenen en medicijnen. Geen ministers die zich verstoppen ‘in hun kot’ en die al weken nergens meer te zien zijn, maar wel een fatsoenlijke verloning voor onze verpleeg- en zorgkundigen en een betere bestaffing.

De mug-telefoon gaat weer. Een verkeersongeval. Ik was het bijna vergeten maar die bestaan ook nog …



Meer helden

‘Als schaduwexpert geef ik achter de schermen advies’

‘Na twee maanden zien we het applaus wegebben’

‘Twee weken voordien had hij de hele serre nog omgespit’

‘Mijn zoontjes heb ik 8 weken niet gezien’

‘Mensen sterven zonder familie om zich heen’

Verpleegkundige Inge De Ridder: ‘Mijn gezin geeft me de moed om door te gaan’

Donderdag 9 april: een nachtshift in het leven van spoedarts Kevin Vereecken

‘Op 25 maart is ze gestorven. Alleen’

Louis Ide, specialist infectiecontrole Jan Palfijn: ‘Een tweede lockdown is echt geen optie’

‘Uren bel ik rond om mondmaskers te vinden’

Erik Ramaekers (39) is zorgkundige in de thuiszorg

Chelsea Schoubben, maatschappelijk assistent kinder- en jeugdpsychiatrie

‘Hebben we al een zekere vorm van immuniteit opgebouwd? We weten het niet.’

‘80-plussers die huilen, dat snijdt door hart en ziel’

‘Wanneer iemand het niet haalt: dat zijn de lastigste momenten’

‘Veel mensen zoeken troost in een pakje koeken’

‘Naast de vele uren en de werkdruk is er het verdriet van heel wat mensen’

‘De patiënt is prioritair. De ontlading volgt thuis’

Comments are closed.